Gelijke kansen voor kinderen bereik je niet met de school alleen, en ook niet met allerlei losse projecten die langs elkaar heen werken. Je moet het visiegericht organiseren in de wijk zelf, met de school als ankerpunt. Samen met maatschappelijke organisaties én met de mensen uit de buurt. Dat is de overtuiging van Jeroen Paul Nijmeijer. Nijmeijer is directeur van het Samenwerkingsverband Kansengelijkheid en Burgerschapsonderwijs (SKB), dat 27 maatschappelijke organisaties verbindt rond gelijke kansen voor kinderen. Hij legt uit waarom dit een opgave is van de hele wijk en niet van het onderwijs alleen, en hoe financiering die beweging in een wijk het beste kan versterken.
De wereld mooier achterlaten
Jeroen Paul Nijmeijer bouwde zijn loopbaan op in het bedrijfsleven, als organisatieadviseur bij onder meer Rijnconsult, met opdrachtgevers van verzekeraars tot de afvalbranche, steeds op het snijvlak van strategie, leiderschap en cultuur. De maatschappelijke opgave zat er altijd al in: opgegroeid in een Drents, christelijk gezin met de waarde dat je de wereld mooier achterlaat dan je hem aantrof, en naast zijn werk altijd actief in stichtingen, verenigingen en besturen. Wat hem deed overstappen, was wat hij in de samenleving zag bewegen: een segregerende samenleving en een groeiende ongelijkheid waarbij het enorm uitmaakt waar je geboren wordt. “Op een gegeven moment, met kinderen, kun je het niet meer ontkennen. Dan moet je zelf actief aan de slag”, zegt hij. Hij wilde zijn ervaring inzetten in een sector die voor hem nog onbekend was, maar waar je meer verschil kunt maken.
Niet concurreren, maar samenbrengen
Om te begrijpen wat het SKB doet, helpt het om te weten hoe het is ontstaan. Maatschappelijke organisaties leken elkaar eerder te beconcurreren dan samen te werken. Ze klopten bij dezelfde gemeentes aan, bij dezelfde fondsen, bij dezelfde scholen, en werkten nauwelijk samen, terwijl ze grotendeels dezelfde missie hadden. Daar lag de geboortegrond van het SKB: organisaties en programma’s samenbrengen, elkaar laten versterken en zo scholen ontlasten en kinderen beter helpen.
Wat begon met vijf partners, waaronder JINC, Stichting Move, Stichting Nederlands Debat Instituut, Jong Ondernemen en Petje af, is inmiddels uitgegroeid tot een samenwerkingsverband met 27 maatschappelijke organisaties. Het SKB functioneert daarmee als een soort branchevereniging voor maatschappelijke organisaties die werken aan kansengelijkheid aanvullend en verrijkend onderwijs gericht op het versterken van sociaal-emotionele ontwikkeling. SKBbundelt programma’s en inhoud, organiseert gedeelde voorzieningen zoals een arbeidsrechtkantoor, vertrouwenspersonen en een eigen academie, en voert een gezamenlijke lobby richting politiek Den Haag en de gemeentes. “De meeste maatschappelijke organisaties zijn klein”, legt Nijmeijer uit. “Wij zorgen ervoor dat op een aantal punten de kracht van het grotere geheel samenkomt.”
De kern van die lobby is in drie woorden te vatten: erkennen, financieren en structureel. Erken dat kansenongelijkheid een maatschappelijke opgave is, erken de structurele rol van maatschappelijke organisaties daarin, en zorg dan ook voor structurele financiering in plaats van losse projecten. Die boodschap richt het SKB op drie partijen tegelijk: de landelijke overheid, de lokale overheid en het bedrijfsleven. “De hoofdboodschap is: stop met het onderwijs te zien als de grote gelijkmaker”, zegt hij. “Dat is het niet, dat weten we al langer. En de oplossing ligt ook niet alleen daar.”
.
“Ik zie de school als ankerpunt in de wijk”
De school als ankerpunt, niet als enige verantwoordelijke
Tegelijk erkent Nijmeijer het belang van een goede school en diens pedagogische opdracht. Hij volgt daarin de leer van onderwijsfilosoof Gert Biesta die drie kernopvaven onderkent: kwalificatie, socialisatie en persoonvorming (subjectificatie). De school is dus wel degelijk medeverantwoordelijk, maar de vraag is of ze het alleen moet organiseren. “Ik zie de school als ankerpunt in de wijk”, zegt hij. “Het is één van de weinige plekken die nog wordt vertrouwd, ook door ouders. Dat wil echter niet zeggen dat de school het alleen moet doen.”
De keuze die hij scholen vervolgens wil voorleggen, vat hij scherp samen: “Stuur je kinderen naar maatschappelijke organisaties toe buiten je school of haal je die organisaties de school binnen?” Hij gelooft in het laatste. Een school is dan meer dan een gebouw dat van acht tot twee open is. Voor hem zou een school de hele week een ontmoetingsplek in de wijk kunnen zijn. Dat dit niet overal gebeurt, ziet hij ook. De schoolleider is daarin cruciaal. “Zit je als schoolleider vooral op je eieren en houd je de deur dicht? Of ben je een sociaal ondernemer die ziet dat onderwijs onderdeel is van een veel grotere context?”
Dat vraagt veel, erkent hij, want schoolleiders krijgen al genoeg op hun bordje: een lerarentekort, klassen van dertigleerlingen met toenemende neurodivergente uitdagingen en basisvaardigheden die onder druk staan. Nergens zijn de kwaliteitsverschillen tussen scholen zo groot als in Nederland. “Goed onderwijs is en blijft het allerbelangrijkste, daar moet je scherp op zijn”, benadrukt hij. Goed kunnen lezen, schrijven en rekenen is essentieel voor een goede toekomst, maar daarnaast is er meer. “Je moet nadenken over hoe je het goed organiseert voor je kinderen.” Misschien, oppert hij, hebben we op een school wel twee leiders nodig: een onderwijsleider en een maatschappelijk leider. Dat het kan, bewijzen scholen die de hele wijk naar binnen hebben gehaald, structurele samenwerking met maatschappelijke organisaties, met goede subsidiestromen, en soms zelfs een eigen fondsenwerver. “Het vraagt een ander leiderschap. Een leiderschap dat het school met de maatschappij en de wijk nadrukkelijk verbind”
Van losse projecten naar een beweging in de wijk
Precies die wijkgedachte ziet Nijmeijer terug in de richting die Hapkracht kiest: lunch en bewegen zoveel mogelijk in de wijk zelf organiseren en laten uitvoeren. Die richting ondersteunt hij van harte. “Dat sluit precies aan bij mijn verhaal”, zegt hij. “Je moet het als wijk gaan organiseren.” Het raakt aan de overtuiging waarmee Hapkracht werkt: dat goed eten en genoeg bewegen geen extra last voor de school zijn, maar juist de motor onder het leren. En hij draait de gangbare werkwijze om: niet als organisatie met een kant-en-klaar aanbod de school in lopen, maar vragen waar de behoefte ligt. “Het moet andersom. Je gaat naar een school toe en vraagt: waar kunnen we je mee helpen?”
De wijkaanpak vliegt pas als ook de financiering meebeweegt, en juist daar zit de blokkade. Veel financiers zetten in op incidentele projectfinanciering en bepalen voor de school, de wijk én de jongeren waar het geld aan wordt uit gegeven.
Daar moet de sector vanaf, vindt Nijmeijer: niet het losse project, maar de beweging en de transitie in de wijk verdienen het geld. “Wat zou er gebeuren als we de principes van participatory grantmaking volgen en de wijk, de school en de jongeren samen met de maatschappelijke organisaties laten bepalen waar het geld naartoe gaat? En als financiers zoals gemeente, fondsen en bedrijven dan ook nog eens de (financiële) krachten gaan bundelen, dan kunnen we écht samen een sociale revolutie ontketenen waarin kansengelijkheid een stap dichterbij komt”.
Â