Houda werd op jonge leeftijd Nederlands kampioen kickboxen en maakte van haar passie voor sport haar beroep. Ze studeerde sportmanagement en sports leadership, en runt nu een eigen bedrijf waarmee ze keynotes en workshops geeft over inclusie en leiderschap. In dit gesprek deelt ze haar visie op hoe we alle kinderen aan het bewegen krijgen, ook degenen voor wie dat niet vanzelfsprekend is.
Houda Loukili (36) vertelt enthousiast over haar leven in de sport. Ze begon met zwemmen, daarna judo en karate, en stapte op haar elfde over naar kickboxen. Dat bleef ze elf jaar lang doen, tot ze Nederlands kampioen werd. “Ik was het enige meisje, maar mijn trainer behandelde me nooit anders. Hij leerde me niet alleen de sport, maar ook hoe we met elkaar omgaan. Dat iedereen gelijk is.”
Van kampioen naar coach
Die ervaring heeft haar gevormd. Op haar vijftiende begon ze te werken op de Krajicek Playground in Kanaleneiland, en ze is de sportwereld nooit meer uitgegaan. Ze kickbokste elf jaar lang en werd in 2005 Nederlands jeugdkampioen, tot een auto-ongeluk op haar 21e een einde maakte aan haar wedstrijdcarrière. Ze studeerde sportmanagement en sports leadership, werkte in diverse functies bij SportUtrecht en rechtsvoorgangers en bouwde daarnaast een eigen bedrijf op. Inmiddels geeft ze keynotes en workshops over leiderschap en inclusie bij organisaties als Accenture, ING, Universitet Utrecht, Hogeschool Amsterdam en Buitenlandse Zaken. Voor Nike was ze consultant bij de ontwikkeling van de Hijab Product Playbook, een gids die coaches helpt om meisjes met een hijab te begeleiden
“Als het vanuit thuis niet lukt, loop je al 10-0 achter”
Vader, plezier en talent
Als Houda terugkijkt op haar jeugd, ziet ze drie redenen waarom zij is blijven sporten. “Ten eerste: mijn vader stimuleerde me enorm. Hij vond sport belangrijk en stond volledig achter mijn keuze om te kickboksen. Samen gingen we ook naar elke thuiswedstrijd van FC Utrecht. Ten tweede: ik vond het gewoon heel erg leuk. En ten derde: ik was er ook nog eens goed in.”
Het belangrijkste dat sport haar heeft gebracht, is zelfvertrouwen. “Het gevoel dat je iets kunt en sterker wordt. En dat als je moeite doet, je er ook wat voor terugkrijgt.” Maar hoe ouder ze werd, hoe meer ze besefte dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt. “Ik hoopte eigenlijk dat ik dat kon realiseren voor iedereen. Dat fascineert me nog steeds: hoe krijg je kinderen aan het sporten die dat niet vanzelfsprekend doen?”
10-0 achter
Houda gelooft dat elke ouder het beste wil voor zijn kind, maar de werkelijkheid is weerbarstig. De drempels voor sportdeelname zijn hoog: contributie en sportkleding kosten al snel honderden euro’s per jaar, de sportclub moet dichtbij zijn, en ouders hebben vaak een drukke week met soms twee banen. “Als je op zaterdag moet werken, is het laatste waar je aan denkt om je kind naar de voetbalclub te brengen.”
Voor meisjes zijn de drempels nog hoger. Veel meiden willen met een vrouwelijke coach trainen omdat dat prettiger voelt, maar die zijn schaars. Bovendien is door incidenten in de sportwereld het vertrouwen op sommige plekken verdwenen. Het gevolg: meisjes haken vaker af dan jongens.
“Als het vanuit thuis niet lukt, loop je al 10-0 achter. Je moet altijd eerst proberen de ouders te betrekken, daar geloof ik echt in. Maar als dat niet werkt, dan ligt de verantwoordelijkheid bij de scholen en de rest van de samenleving.”
De schoolsportclub
De oplossing ligt volgens Houda op school. Meer bewegen tijdens de schooldag, en als dat niet mogelijk is, meer naschoolse lessen. “Maar zie die naschoolse lessen dan wel als een echte sportclub: de schoolsportclub. Het hele schooljaar door, van september tot en met juni.”
Het is geen vervanging van de sportvereniging, benadrukt ze. “Voor de kinderen die wél naar een club kunnen, is dat fantastisch. Maar voor de jongens en meiden voor wie dat niet werkt of niet haalbaar is, moet er een alternatief zijn. Dát is de schoolsportclub.”
Ze spreekt uit jarenlange ervaring. “Ik draai al acht jaar programma’s met meiden in Amsterdam (Future Leading Kids, Favela Street). Ik heb nu een team van acht trainers. Het is gewoon leuk. Het is altijd vol, het hele jaar door. Net als een echte sportclub.”
Veilig, gezellig en vrij
Het geheim van haar aanpak draait om veiligheid en keuzevrijheid. “Sowieso: je mag komen zoals je je prettig voelt. Wil je een lange broek aan, prima. Wil je een korte broek, ook goed. Het maakt ons niet uit.”
Ook grenzen worden gerespecteerd. Als iemand even niet mee wil doen, is dat geen probleem. “Dan gaat ze gewoon zitten. We zeggen niet meer ‘kom even meedoen’. Ze geeft haar grens nu aan, ze wil even niet.” De les begint altijd met een moment van kletsen over de dag, over de toetsweek, over hoe het gaat. “Dat momentje in het begin, dat is zo belangrijk.”
De trainers kennen alle kinderen bij naam en laten hen kiezen hoe ze begroet willen worden: een high five, een knuffel of een boks. Die keuzevrijheid geldt ook voor de activiteiten zelf. “Laatst vroeg ik: welke sporten willen jullie dit jaar? Ze noemden boogschieten, kickboxen, padellen, klimmen, skateboarden. Ik zei: we gaan niks beloven, ik weet niet of we het waar kunnen maken, maar we gaan het wel proberen.”
Het resultaat is dat ook meiden komen die niet per se van sporten houden. “Ze willen erbij zijn. Omdat het leuk is. Omdat het veilig en gezellig is. Dat is echt zo simpel.”
De basis voor later
Houda ziet een duidelijke verbinding tussen bewegen en gezonde voeding. “Die gezonde gewoontes leer je in de basisschoolleeftijd. Onderzoek laat zien: wat je als kind aanleert, hou je je leven lang vast.” Dat is ook wat Niek de Wit, huisarts en bestuurslid van Hapkracht, benadrukt: preventie begint niet in de spreekkamer, maar op het schoolplein en aan de keukentafel.
Daarom is haar boodschap helder: “Als we willen dat kinderen gezond opgroeien, moeten we als samenleving die verantwoordelijkheid nemen. Want als een kind in goede gezondheid en met zelfvertrouwen opgroeit, is dat ook goed voor de hele samenleving. Minder zorgkosten, meer zelfredzaamheid. Daarom moeten we nú investeren in deze kinderen.”
—
Lees ook:
→ Achtduizend redenen om in beweging te komen – interview met Joscha de Vries (directeur SportUtrecht)
→ Van huisarts tot Hapkracht: preventie begint bij kinderen – interview met Niek de Wit (bestuurslid Hapkracht)